Voetbal International

‘In een artikel dat na mijn komst in een krant verscheen, stond dat Telstar er vanwege mijn snelheid een nieuw wapen bij had. Ik heb het bericht destijds lachend uitgescheurd. Ik was hartstikke langzaam.’

‘Ik bewonderde Nederland, ik heb bij jullie geleerd hoe een staat moet functioneren. Er was openheid, niets werd onder de mat geschoven.’

‘Een wapen was ons belangrijkste bezit, verder hadden we niks. Geen geld, geen agenda, geen paspoort. Het was de ultieme vrijheid.’

‘Ik vind het moeilijk om nu te zeggen, maar we hebben tijdens de gevechten nooit het initiatief gehad. Niet het leger, maar wij werden verrast.’

Voetbal International, 17 februari 2017

Telstar-spits en guerrillastrijder

João Carlos Wisnesky werd in 1965 de eerste Braziliaan ooit in de Eredivisie. Na één seizoen Telstar pikte het Franse Cannes hem op. Toch begon het echte avontuur daarna pas. Wisnesky keerde terug naar Brazilië en verruilde zijn voetbalschoenen voor een geweer.

Toen ik João Carlos Wisnesky voor het eerst de hand schudde, had hij zijn overhemd tot aan zijn navel opengeknoopt. Zoals afgesproken stond hij me op de kade van Ilha de Paquetá op te wachten. In de verte waren de lichtjes van Rio de Janeiro, de stad waar ik ruim een uur eerder op de veerpont was gestapt, nog zichtbaar. Voor mijn boek De Brazilianen, dat in het voorjaar van 2014 zou verschijnen, wilde ik een paar dagen met de voormalige spits van Telstar optrekken.

Na het uitwisselen van de eerste vriendelijkheden stond de zeventiger erop dat we naar de plek gingen
waar hij de hele avond al had rondgehangen: het café.
Ik sputterde in eerste instantie wat tegen. Het was al tegen middernacht, ik wilde een hotel vinden, een plan waar Wisnesky niets in zag. ‘Daar is het veel te laat voor. Je kunt vanavond bij mij thuis slapen. En je tassen zet je gewoon in de hoek van de kroeg.’

De Cantina da Ilha (Kantine van het Eiland) oogde als zo veel Braziliaanse dranklokalen. Het licht kwam van tl-buizen, op de muren zat afbladderende verf, uit de boxen klonk harde muziek en op een kast in de hoek trokken op een televisiescherm beelden voorbij waar niemand naar keek. Wisnesky leunde op de bar en bestelde een fles bier en een glas whisky, waarna hij me met pretogen aankeek. ‘Ik spreek bijna geen Nederlands meer, maar wist je dat ik jullie taal goed beheerste? Toen ik voor Telstar speelde, vroeg iemand me eens of ik uit Volendam kwam. Het is het grootste compliment dat ik tijdens mijn Nederlandse jaar heb gehad.’ Er volgde een bulderlach, het startschot van een nacht vol anekdotes.

‘Veel Brazilianen dachten in de jaren zestig dat Neder- land het land was waar alles kon’, vertelde Wisnesky met zijn zoveelste glas sterke drank in de hand. ‘Een land waar het altijd feest was. Dat viel dus tegen. Ik weet nog dat ik naar een stripteaseshow in de Amsterdamse Warmoesstraat ging. Het meisje maakte haar blouse open, langzaam, knoopje voor knoopje. Maar toen het echt spannend werd, stopte ze. De belangrijkste knoopjes bleven dicht. De lichten gingen aan, de portier kwam vertellen dat iedereen naar huis moest. Het was twaalf uur! Ik wilde feest, ging op zoek naar een andere bar, maar alles was dicht, dus besloot ik maar een hotel op te zoeken.

‘“Uw paspoort?”, vroeg de receptioniste daar. Mijn paspoort? Dat ligt thuis. “Zonder paspoort zult u nergens in Amsterdam een kamer kunnen krijgen.” Toen de taxichauffeurs me vervolgens niet naar m’n appartement in IJmuiden wilden brengen omdat ze dat te ver vonden, gaf ik het op. Ik heb in een telefooncel geslapen. En het was winter, hè?’ Wederom rolde de bulderlach van Wisnesky door de Kantine van het Eiland.

VRIJE JAREN
Ilha de Paquetá is niet meer dan een kleine, tropische pukkel in de Baía de Guanabara, de baai waar windsurfer Dorian van Rijsselberghe en zeilster Marit Bouwmeester in de zomer van 2016 olympisch goud pakten. Ruim zeventig jaar eerder, op 2 juni 1943, werd Wisnesky op het eiland geboren.

Als de Braziliaan over zijn jeugd vertelt, druipt het plezier van zijn woorden. Het waren vrije en gelukkige jaren. Bijna dagelijks dook hij vanaf hoge rotsen in de zee of zwom hij naar nabijgelegen eilandjes. Op Paquetá leerde hij met een luchtbuks vogels uit de lucht schieten én kwam hij voor het eerst in aanraking met de bal. Wisnesky speelde bij de plaatselijke voetbalclub en had talent, zoveel talent dat er op een gegeven moment vertegenwoordigers van profclubs uit Rio de Janeiro op de veerpont naar Paquetá stapten om een kijkje te komen nemen. Het waren de jaren waarin het Braziliaanse voetbal de wereld veroverde: Brazilië pakte zijn eerste wereldtitel, Garrincha stal de show bij Botafogo, Pelé brak door bij Santos. De clubs uit Rio speurden naarstig naar nieuw talent en informeerden bij Wisnesky of hij naar het vaste land wilde verhuizen. Zo kwam de eilandbewoner, na een kort verblijf bij de club América FC, uiteindelijk terecht bij Flamengo.

Tot een echte doorbraak kwam het daar niet. Wisnesky kreeg hepatitis en raakte op een zijspoor. Het enige geluk dat hij had, was dat zaakwaarnemer José da Gama hem in actie had gezien. De Portugees gold in de jaren zestig als een van de belangrijkste zaakwaarnemers van Brazilië en klopte bij Wisnesky aan. Of hij er wat voor voelde om in Europa te voetballen?

Het was een vraag waar de speler niet lang over na hoefde te denken. Natuurlijk wilde hij in Europa voetballen. In de geschiedenisboeken had hij al veel over het continent gelezen. Het was de grond waar zijn wortels lagen (zijn grootouders waren ooit van Polen naar Brazilië geëmigreerd), een werelddeel dat hem fascineerde. Bovendien was het onrustig in Brazilië. Het Braziliaanse leger had net een geweldloze staatsgreep gepleegd. De linkse president João Goulart, die volgens de coupplegers te veel met de communisten flirtte, was afgezet. Wisnesky’s land was van een democratie in een militaire dictatuur veranderd en dat vervulde hem met afgrijzen, het was de juiste tijd om te vertrekken.

In eerste instantie bracht Da Gama zijn speler naar het Brusselse Racing White. Lang bleef Wisnesky daar alleen niet. Da Gama had Telstar enthousiast weten te krijgen. De Noord-Hollandse club, in 1963 ontstaan na een fusie tussen VSV en Stormvogels, wilde de Braziliaan graag inlijven. Toen Wisnesky hoorde hoeveel tekengeld hij zou krijgen, pakte hij direct zijn koffers en vertrok richting de Noordzee.

VISAFSLAG
De ochtend na mijn aankomst op Paquetá trof ik Wisnesky aan de keukentafel van zijn eigen huis. Tot diep in de nacht was hij aan het woord geweest. Nadat we de Kantine van het Eiland hadden verlaten, ging hij thuis rustig verder. Soep, Braziliaanse rum en meer anekdotes kwamen ter tafel.

‘Wist je dat ik na mijn aankomst in Nederland de biertjes van al mijn teamgenoten betaalde? In Brazilië was het normaal om rondjes te geven, maar bij jullie deed niemand dat. Op een gegeven moment kwam ik erachter dat de meeste spelers hun salaris moesten inleveren bij hun vrouw, als ze uitgingen kregen ze maar een beetje geld mee.’

Toen mijn ogen tijdens de zoveelste anekdote bijna dichtvielen en ik aangaf aan nachtrust toe te zijn, had Wisnesky begripvol geknikt. ‘Weet je wat? Je slaapt vannacht gewoon in mijn bed. En voel je niet bezwaard. Ik overnacht bij mijn vriendin een huis verderop.’

Zo had de zeventiger om drie uur ’s nachts de deur van zijn eigen woning dichtgetrokken en dwaalde ik voor het slapengaan nog één keer door zijn huis. Tot mijn eigen verrassing stuitte ik daarbij, in de gang, op een ingelijste teamfoto: de Telstar-selectie van het seizoen 1965/66. De staf en voetballers waren voor een doel gefotografeerd. Veel frisse Hollandse koppen, mannen met mooie namen: Heinz Stuy, Piet van der Kuil, Cor Brom, Ger Clement, Fred Dikstaal, Hassie van Wijk. Ik moest even zoeken, maar uiteindelijk vond ik ook Wisnesky. Een jongen met licht krullend haar.

Het voetballen in Nederland was voor de Braziliaan een wonderlijke ervaring, zou hij een kleine acht uur later aan de keukentafel vertellen, temeer omdat ze bij Telstar ook niet precies wisten wie ze hadden binnengehaald. ‘In een artikel dat na mijn komst in een krant verscheen, stond dat Telstar er vanwege mijn snelheid een nieuw wapen bij had. Ik heb het bericht destijds lachend uitgescheurd. Ik was hartstikke langzaam.’

Oliver Gaspar, de Roemeense trainer van Telstar, gebruikte Wisnesky als spits, een positie waar de Braziliaan nooit eerder had gespeeld. In zijn geboorteland was hij de spelverdeler die het van zijn inzicht moest hebben, die ritme aanbracht in het spel. Als aanvaller deed Wisnesky het in Velsen niet eens onaardig (hij maakte acht treffers in achttien wedstrijden), maar veel plezier gaf de positie hem niet. Hij wilde met zijn hoofd spelen en als spits moest hij vooral de fysieke strijd aangaan.

Het leven buiten het voetbal kon Wisnesky meer bekoren. Hij vond het interessant om te zien hoe een ander land functioneerde. ‘Ik bewonderde Nederland, ik heb bij jullie geleerd hoe een staat moet functioneren. Er was openheid, niets werd onder de mat geschoven. Ik kan me goed herinneren dat de premier de Nederlanders via de televisie vertelde dat er nul-komma-nog-wat procent inflatie was. Het mooie was: de provo’s gingen nog de straat op om te protesteren ook.’

Waar hij zich ook over verbaasde, was het individualisme dat in Nederland heerste. ‘Toen ik voor het eerst in mijn leven op sneeuw speelde, dacht ik op mijn gewone voetbalschoenen uit de voeten te kunnen. Niet dus. Het veld was net een ijsbaan, ik gleed constant uit. Ik vroeg me na afloop af: waarom heeft niemand bij Telstar me gewaarschuwd? Iemand had me vooraf toch kunnen zeggen dat ik speciale voetbalschoenen had moeten aantrekken?’

Toch heeft Wisnesky vooral mooie herinneringen aan zijn Nederlandse tijd. Aan de etentjes bij de eigenaar van Telstar, tevens de eigenaar van de Hoogovensfabriek. ‘Die man was steenrijk, maar at hetzelfde als de gewone bevolking. Gekookte aardappels, groente en vlees. Dat vond ik prachtig. Een rijke Braziliaan eet niet hetzelfde als een arme Braziliaan.’

Hij werkte aan de visafslag in IJmuiden. Een noodgreep. ‘Voetballer werd nog niet als een officieel beroep gezien. Ik moest er daarom een baan bij zoeken, anders mocht ik geen gebruik maken van de publieke gezondheidszorg.’ Vijf ochtenden per week – bij Telstar werd er in de middag getraind – stond Wisnesky vis in te pakken. De Braziliaan stopte het ijs in de dozen, twee collega’s legden de vis erbij. ‘Ik heb nog tegen mijn baas gezegd: Zullen we een deal sluiten? Ik werk niet, geef je wat geld, dan laat jij mij hier ingeschreven staan. Het was kansloos, zulke dingen werkten niet bij Nederlanders. Al heb ik met de gesigneerde portretfoto’s die ik voor de zekerheid in mijn auto had gelegd nog de nodige verkeersboetes kunnen voorkomen.’

REVOLUTIE
Eigenlijk wist Wisnesky in Nederland al dat zijn voetballoopbaan niet lang ging duren. Hij had plezier in het spelletje, maar werd tegelijkertijd gek van het geklets van de trainers, hij voelde zich geketend door alle tactische aanwijzingen. Toch speelde er in Velsen meer. Ver van Rio de Janeiro namen bij Wisnesky de zorgen over de situatie in zijn thuisland toe. Met de militairen aan de macht moesten de Brazilianen steeds meer vrijheden inleveren. Het gevoel dat hij zijn land in de steek had gelaten, werd bij de spits sterker.

Uiteindelijk nam hij in de zomer van 1967 een drastisch besluit. Hij speelde inmiddels bij Cannes, de Franse club waar hij na een jaar Telstar naartoe was getrokken. Op 24-jarige leeftijd zette Wisnesky een punt achter zijn loopbaan en keerde terug naar Brazilië om aan de universiteit van Rio de Janeiro geneeskunde te gaan studeren. Ook sloot hij zich aan bij een door het regime verboden studentenbeweging.

Een nieuw leven begon. Zat Wisnesky in Brazilië niet in de studiebanken, dan discussieerde hij met leeftijdsgenoten over politiek of trok hij met boze medestudenten de straat op om te protesteren. Het waren relatief vreedzame protesten, al kwam het soms tot confrontaties met de politie.

Echt grimmig werd het pas in maart 1968 toen de achttienjarige student Edson Luís door een kogel van het leger werd gedood en boze burgers massaal de straat op gingen, waarna het regime de teugels aanhaalde. Tegenstanders van het bewind belandden zonder duidelijke reden in de bak waar martelingen aan de orde van de dag waren. Voor Wisnesky was het reden om zich aan te sluiten bij de clandestiene communistische partij. Een overtuigd communist was hij niet, maar de communisten keerden zich tenminste fel tegen de dictatuur.

De gestopte voetballer hing door de hele stad pamfletten op, organiseerde bijeenkomsten en zag hoe de communistische beweging langzaam radicaliseerde. Zo werden er in São Paulo en Rio de Janeiro banken overvallen om aan geld te komen voor het gewapende verzet. Wisnesky deed niet mee aan die acties, maar geloofde wel in geweld als laatste redmiddel. In zijn ogen moest er vanaf het platteland een revolutie worden ontketend. Zo waren de communisten in China en Cuba ook aan de macht gekomen.

Toen hij van de partij de opdracht kreeg om een stuk tropisch regenwoud aan de kust van de staat São Paulo te verkennen, deed hij het daarom graag. Wisnesky rapporteerde dat het geschikt terrein was om een guerrilla te beginnen. Het leger zou moeilijk toegang hebben tot het onherbergzame gebied. Wat hij niet wist, was dat zich aan de oostelijke rand van het Amazone-oerwoud al vanaf 1967 enkele leden van de communistische partij hadden gevestigd. Ze werkten daar als boer, tandarts of dokter, maakten contact met de lokale bevolking en probeerden hen voor de zaak te winnen. In de Amazone moest de revolutie beginnen.

Uiteindelijk vroeg de partij ook aan Wisnesky of hij beschikbaar was voor de gewapende strijd. Een vraag die hij bevestigend beantwoordde. Het was voor de oud-speler van Telstar duidelijk dat de militairen de macht nooit vrijwillig zouden afstaan, er moest gevochten worden voor de vrijheid.

SLACHTING
Tijdens mijn derde dag op Paquetá bungelde Wisnesky met een verbitterd gezicht in zijn hangmat heen en weer. Hij was zijn verhaal begonnen met zijn eerste reis naar de Amazone. Een reis die mislukte. Onderweg naar de guerrillabasis had het leger hem opgepakt. Twee weken lang werd Wisnesky ondervraagd en gemarteld. Hij incasseerde klappen, kreeg stroomstoten, maar brak niet, waardoor het leger hem wegens het ontbreken van bewijzen liet gaan. Een jaar later bereikte hij alsnog de plek waar de revolutie moest beginnen.

Met ongeveer tachtig medestrijders wachtte Wisnesky in het oerwoud op het begin van de strijd. De meeste aandacht trok Osvaldão, een donkere ex-bokser en discuswerper uit Rio, een van de leiders van de guerrilla. Osvaldão was een boom van een kerel, bijna twee meter lang. Bij het uitbreken van de gevechten zou hij door het leger gevreesd worden. De plaatselijke bevolking dichtte hem zelfs speciale krachten toe. Ze dachten dat hij in een dier, steen of boom kon veranderen, dat hij onsterfelijk was.

Het leven in de jungle was voor Wisnesky in eerste instantie overzichtelijk. Hij was vooral druk met het verbouwen van eten en het jagen op dieren. Wilde zwijnen, slangen, apen; de strijders aten alles wat ze tegen- kwamen, ze moesten wel. ‘Een wapen was ons belangrijkste bezit, verder hadden we niks. Geen geld, geen agenda, geen paspoort. Het was de ultieme vrijheid. Ik ben nooit meer zo gelukkig geweest als op de momenten dat ik tussen de hoge bomen liep. Potverdomme, ik was alleen, maar gelukkig.’

In april 1972, een half jaar na de aankomst van Wisnesky, kwam het bericht door dat de vijand in het gebied was. Onder de strijders heerste euforie, ze hadden lang genoeg gewacht, ze wilden doen waarvoor ze gekomen waren: vechten voor hun vrijheid. ‘We zouden zegevieren, daarvan was iedereen overtuigd. Toen nog wel. We zouden eerst een nabijgelegen stadje innemen, langzaam een volksleger opbouwen en van daaruit verder stoten.’

Zover kwam het nooit. ‘Ik vind het moeilijk om nu te zeggen, maar we hebben tijdens de gevechten nooit het initiatief gehad. Niet het leger, maar wij werden verrast. Bij de confrontaties die ik meemaakte, moesten we ons keer op keer terugtrekken. Rennen, telkens weer rennen. Doorns zo groot als een vinger heb ik uit mijn benen moeten halen. Een gericht schot op een soldaat heb ik nooit gelost.’

Daarna vertelde Wisnesky hoe hij het psychisch steeds moeilijker kreeg. Hoe hij, toen hij op de wacht stond, begon te hallucineren. ‘Ik zag twee felgekleurde vogeltjes voor mijn neus heen en weer vliegen. Een uur lang bleven ze rondfladderen. Ik bewoog niet, wilde niet dat de droom zou eindigen. Na dagen oerwoud, oerwoud en oerwoud zag ik eindelijk even geen groen. Het was een verlossing.’

Langzaam ebde het geloof in een goede afloop weg, al bleef Wisnesky zichzelf lang voor de gek houden. De revolutie zou slagen, hield hij zichzelf voor. Tot hij, een kleine twee jaar na zijn aankomst in het oerwoud, geïsoleerd kwam te zitten en besefte dat de gewapende strijd verloren was. De enige optie die hij had, was terugkeren naar de bewoonde wereld, een barre tocht die drie weken zou duren.

Het jaar 1973 was toen al een eind onderweg. De periode waarin het leger definitief een einde aan de strijd wilde maken, zou bijna een aanvang nemen. Toen Wisnesky in Rio net een veilig onderduikadres had bereikt, trokken vierhonderd elitesoldaten het oerwoud in en openden de jacht op de verzwakte strijders die één voor één werden gedood. In februari 1974 stierf ook Osvaldão. Als een trofee liet het leger zijn dode lichaam aan een koord uit een helikopter bungelen en vloog daarmee over het oerwoud. Een half jaar later kwam ook de laatste strijder om het leven.

‘Ik had in Rio geen weet van de slachting,’ treurde Wisnesky op Paquetá vanuit zijn hangmat. Het leger had de operatie geheim gehouden. Pas jaren later, toen hij zijn vrijheid terug had en als acupuncturist aan de slag wilde, kwamen de gruwelijke verhalen hem ter ore. Telstar was op dat moment al gedegradeerd en zou nooit meer terugkeren op het hoogste niveau.

Foto: nationaal archief & VI Images.